Boom 48

naar Boomoverzicht

Boom 47 < Boom 48 > Boom 49


Tweebladvormige of eikbladige haagbeuk
Carpinus betulus 'Quercifolia'



Geslacht Familie
Carpinus Betulaceae
Haagbeuk Berkenfamilie

Plantjaar: 1900 (geschat)


Beschrijving van de cultivar 'Quercifolia':

Een oude cultuurvorm die vrij langzaam groeit en een dicht vertakkende boom vormt. In zijn jeugdstadium kegelvormig, maar later breed eirond tot rond. Hoogte 10 – 12 m.

Meestal worden laag vertakte bomen aangetroffen. Takken gaan bij het ouder worden doorhangen waardoor uiteindelijk een breedte van circa 10 m wordt bereikt.

Het blad is frisgroen in het voorjaar, is smaller dan de soort en onregelmatig, soms diep (tot aan de hoofdnerf) gelobd, waardoor het lijkt op een eikenblad. Aan jonge twijgen en in het beschaduwde hart van de boom komen geregeld ‘gewone’ Carpinus-bladeren voor. Hierdoor draagt de boom dus effectief 2 soorten blad.

De boom loopt gemakkelijk terug naar de normale bladvorm.

bron | © info


Beschrijving van de soort Carpinus betulus:

De haagbeuk (Carpinus betulus), helzenteer, hesselteer, steenbeuk, jukbeuk of wielboom is een 15-25 m hoge boom uit de berkenfamilie (Betulaceae).

De boom is autochtoon en komt in het wild voor in West-, Midden- en Zuid-Europa alsook in West-Azië. Plaatselijk is de haagbeuk algemeen in (Nederland): in Limburg (Zuid-Limburg), delen van Gelderland en delen van Noord-Brabantnl.de Kempen. Ook het zuiden van West-Vlaanderen kent nog vele natuurlijke haagbeuken.

De haagbeuk is eenhuizig: de mannelijke en de vrouwelijke bloemen komen op één plant voor. De plant bloeit in april en mei. Het stuifmeel wordt door de wind verspreid.

Het omhulsel van de vrucht is drie-slippig, waarbij de middelste slip duidelijk langer is dan de beide andere. De vrucht bevat een groen tot bruin zaad van 65 mg.

De kale takken zijn grijsachtig. De bladen staan hieraan verspreid. De elliptische bladeren zijn veernervig en hebben een dubbelgezaagde rand en een hartvormige voet en toegespitste top.

Haagbeuk is een belangrijke waardplant voor de meikever. Volwassen kevers voeden zich met de bladeren en de bloemen. De plant speelt tevens een belangrijke rol in de voortplanting van de kever. De bladeren van de haagbeuk vormen eveneens voedselbron voor een groot aantal larven van vlinders.

Onder meer de appelvink en de boomklever zijn in de herfst dol op de zaden van de haagbeuk. Ook bosmuizen en hazelmuizen doen zich vaak te goed aan de nootjes van de haagbeuk.

De haagbeuk kan uitstekend gesnoeid worden en is daardoor zeer geschikt als haagplant. Ook de beuk (Fagus sylvatica) wordt als haag gebruikt, wat door de Nederlandse naamgeving zeer verwarrend is. Een beukenhaag is iets anders dan een haagbeukenhaag. De haagbeuk kan veel beter tegen wisselende waterstanden i.t.t. de beuk. Op klei is daarom de haagbeuk al gauw een betere keuze. Waar een gesnoeide beuk ‘s winters de dode, bruine bladeren laat hangen, is de haagbeuk min of meer kaal. De haagbeuk loopt echter fraai en weken eerder uit dan de beuk.

Het hout is bijzonder splijtvast. Het wordt gebruikt voor hakblokken, heien en stampers in een oliemolen, kammen in molenwielen, gereedschap en als imitatie-ebben voor piano’s. Het hout is hard en taai. Het heeft een fijne nerf maar werkt veel en is gevoelig voor aantasting door houtworm.

bron | © info



naar Boomoverzicht


Boom 47 < Boom 48 > Boom 49