Magnolia


naar Geslachtoverzicht


Magnolia (beverboom) - onderdeel van de familie Magnoliaceae


De BomenWijzer bevat van dit geslacht onderstaande boomsoorten:
Boom 101
Magnolia soulangeana 'Rustica Rubra' - Beverboom
Boom 160
Magnolia kobus - Boommagnolia


Informatie over het geslacht Magnolia (beverboom)

Magnolia (Nederlandstalige naam) is de naam van het typegeslacht van de Magnoliafamilie(Magnoliaceae). Het geslacht is in West-Europa niet inheems en is hier het bekendst vanwege de rijk bloeiende soorten en kruisingen die in veel tuinen en parken zijn aangeplant.

Magnolia’s hebben ongedifferentieerde bloembladeren: de bloemen hebben een bloemdek bestaande uit bloemdekbladeren (tepalen). De bloemdekbladeren, de meeldraden en de vruchtbeginsels zijn spiraalsgewijs op de kegelvormige bloemas ingeplant. Deze bloembouw komt overeen met de oudst bekende fossiele bloemen en duidt erop dat de oorsprong van de groep in de buurt van de eerste bloemplanten moet liggen.

In de indeling van de Magnoliaceae die tot het eind van de twintigste eeuw gangbaar was, was Magnolia een van de grotere geslachten van de onderfamilie Magnolioideae. Met de introductie van moleculaire technieken voor onderzoek naar verwantschappen (DNA-sequencing) werd duidelijk dat het geslacht parafyletisch was. Daarmee is de omgrenzing van het geslacht Magnolia in beweging gekomen. De benadering die door de meeste taxonomen wordt gekozen, is om alle andere geslachten van de Magnolioideae samen te voegen met het oorspronkelijke geslacht Magnolia, waarmee dan één groot geslacht ontstaat dat wél monofyletisch is, en ongeveer 300 soorten telt.

Het geslacht Magnolia bestaat uit groenblijvende of bladverliezende bomen en struiken met grote, doorgaans opvallende bloemen.

Magnolia’s hebben twijgen die bij kneuzing sterk aromatisch zijn, vaak met een anijsachtige geur. Daarnaast dragen ze veel, meestal elliptische, lenticellen die in de lengterichting van de twijg liggen.

De blad- en bloemknoppen van Magnolia’s zijn omgeven door een of meer harde, meestal sterk behaarde schubben (perulae). De bloemknoppen zijn daarnaast ook nog eens omgeven door een of meer vliezige, meestal ook behaarde,schutbladen (bracteae). De perulae en bracteae worden bij het uitlopen snel bruin en vallen dan af, waarbij ze op de twijg een ringvormig litteken achterlaten.

De bladeren staan afwisselend op de stengel. De bladsteel draagt aan beide zijden twee steunblaadjes (stipulae) die vaak verbonden zijn met de bladsteel, en daarop dan bij het afvallen een litteken (cicatrix annularis) achterlaten. Bij de meeste soorten vallen de steunblaadjes snel af. De bladeren zijn nooit gedeeld en vrijwel altijd volledig gaafrandig. Alle soorten hebben een ovaal tot langwerpig-ovaal blad. Enkele soorten hebben een bladschijf die aan de basis lobben heeft (geoord blad), en enkele soorten hebben een bladschijf die aan de top twee lobben heeft. Veruit de meeste soorten hebben een blad dat zich gelijkmatig vanuit de bladsteel verbreedt en aan de top uitloopt in een punt.

De bloemen van Magnolia’s hebben ongedifferentieerde bloembladeren, wat wil zeggen dat ze geen afzonderlijke kelkbladeren (sepalen) en kroonbladeren (petalen) hebben, maar een bloemdek bestaande uit zes of meer bloemdekbladeren (tepalen). In tegenstelling tot de meeste bloemplanten, waarbij de bloemdelen in opeenvolgende kransen zijn gerangschikt, zijn bij de Magnolia’s de bloemdekbladeren, de meeldraden en de vruchtbeginsels spiraalsgewijs op een kegelvormige bloemas ingeplant. De bloemen zijn doorgaans tweeslachtig, met uitzondering van die van de soorten in subgenus Magnolia sectio Kmeria (genus Kmeria) en subgenus Gynopodium sectioGynopodium (genus Parakmeria). Bij de meeldraden is geen duidelijke differentiatie tussen de helmdraad (filament) en de helmhokken: de helmhokken vormen een onderdeel van de zijkant van de helmdraad. Magnolia’s hebben veel meeldraden en doorgaans ook veel vruchtbeginsels. De bestuiving geschiedt door kevers. De vruchtbeginsels hebben een dikke wand, die ze beschermt tegen de kevers die erover kruipen en eraan knagen.

De vrucht van een Magnolia is een verzamelvrucht. Ieder vruchtbeginsel groeit uit tot een bes. Van onbevruchte vruchtbeginsels blijft de bes evenwel klein of verschrompelt zelfs, wat in subsectie Yulania vaak zeer onregelmatig gevormde verzamelvruchten tot resultaat heeft. Bij de rijpe vrucht van een Magnolia is het deel van de bloemas waaraan de bessen zitten (de gynophoor) uitgegroeid. De bessen zijn vaak met elkaar vergroeid maar niet altijd: in de meeste Michelia-soorten groeit de gynophoor zo ver uit, dat de afzonderlijke bessen ook bij rijpheid los van elkaar blijven. Als de zaden rijp zijn, barsten bij veel soorten de bessen overlangs open langs een groef die aan de buitenkant in de lengterichting loopt, waarna de altijd felgekleurde zaden tevoorschijn komen. De zaden blijven middels een flexibele draad nog gedurende een dag of meer met de vrucht verbonden en hangen dan naar buiten. Bij sommige subsecties van Magnolia(Blumiana, Talauma, Dugandiodendron en Aromadendron) barsten de bessen niet overlangs open, maar valt het buitenste gedeelte er in z’n geheel af, vaak samen met dat van de aangrenzende bessen.

De rijpe zaden hebben een harde, meestal erg donkere tot zwarte, zaadhuid, waaromheen een vettige en zachte zaadmantel (arillus) zit, met een leerachtige glanzende huid die vrijwel altijd fel rood of oranje gekleurd is.

Recent (holoceen) komen Magnolia’s voor in het oosten en zuidoosten van Noord-Amerika, in Mexico, Centraal-Amerika, het tropisch deel van Zuid-Amerika en in de Caraïben. Het zwaartepunt van de moderne verspreiding ligt in China, Indochina en Malesië, en verder komen Magnolia’s voor in het zuiden en oosten van India, in Sri Lanka, in Korea en in Japan.

De bloembouw van Magnolia’s komt overeen met die van de oudst bekende fossiele bloemen en duidt erop dat de oorsprong van de groep in de buurt van de eerste bloemplanten moet liggen. Fossiele vondsten van soorten uit het geslacht Magnolia of een onmiddellijke voorloper daarvan, zijn gemeld uit het Boven-Krijt. Een soort met Magnolia-achtige bloemen en zaden, maar met diep gelobd blad (Archaeanthus linnenbergeri) wordt gerapporteerd uit de Dakotaformatie van het Cenomanien (100-95 miljoen jaar geleden), de oudste formatie van het Boven-Krijt in Centraal-Kansas. Het geslacht moet dus zo rond de honderd miljoen jaar geleden ontstaan zijn. Overigens zijn erg veel fossiele bladeren die een bladvorm en nervatuur hebben die gelijk is aan die van moderne Magnolia’s aan dit geslacht toegeschreven maar die determinaties zijn niet erg betrouwbaar. Bloemen, vruchten en zaden, ook fossiel, kunnen echter wel met vrij grote betrouwbaarheid worden gedetermineerd.

bron | © info


naar Geslachtoverzicht